In samenwerking met

Steven Goossens, opleidingshoofd landschaps- en tuinarchitectuur, medewerker tuin+, Erasmushogeschool Brussel

Vlamingen zouden een baksteen in de maag hebben. Daarmee wordt verwezen naar een diepgeworteld streven om eigenaar te worden van een eigen huis met tuin, liefst op ‘den buiten’, met uitzicht op het groen. Een ideaalbeeld, dat ons motiveerde om het hele Vlaamse landschap te verkavelen. Maar is dat nog van deze tijd?

Eind 19de eeuw waren onze steden, door een snelle verstedelijking als gevolg van de industrialisatie, verworden tot overbevolkte en ongezonde leefomgevingen. Daardoor onstond het huisje-tuintje-boompjemodel, een eigen huis buiten de stad werd het ideaal, dat zelfs door het beleid werd gestimuleerd. Gaandeweg bleek echter dat dit model verschillende nadelige gevolgen had op vlak van mobiliteit, energieverbruik en ecologie.

Bescherm het buitengebied
In 1999 werd met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen een poging gedaan om ons ongebreidelde ruimtegebruik beter te organiseren. Onder de noemer ‘gedeconcentreerde bundeling’ werd onder andere vooropgesteld dat nieuwe woningen in stedelijk gebied, namelijk de steden, dorpen en woonkernen, dienden gerealiseerd met de bedoeling het buitengebied zoveel mogelijk te vrijwaren. De nieuwe Vlaamse Bouwmeester, Leo Van Broeck, deed echter vorig jaar heel wat stof opwaaien door er ons op te wijzen dat we in het realiseren van deze visie faliekant faalden. Een nieuwe langetermijnvisie is nodig. Vandaag wordt daaraan vanuit diverse hoeken gewerkt.

 

Allemaal samen vormen de verschillende open en groene ruimtes een groene structuur: het tuincomplex

 

Strategische waarde
Vanuit het kenniscentrum tuin+ vinden we het daarnaast ook de moeite om te onderzoek welke verborgen kansen er op kortere termijn achter de huidige constellatie schuilgaan. Onze Vlaamse nevelstad bestaat vandaag namelijk uit een veelheid aan private en semi-private open groene ruimtes. Het gaat, naast privétuinen ook over volks- en gemeenschapstuinen, hobbyweides, braakliggende terreinen en commerciële en institutionele groene ruimtes. Die worden meestal beschouwd als ongrijpbare, individuele objecten. Hierdoor lijken ‘tuinen’ vanuit beleidsmatig opzicht vandaag hun strategische waarde grotendeels verloren te hebben.

Vele kleintjes…
Het kenniscentrum tuin+ vertrekt echter van de veronderstelling dat vele kleintjes één groot maken. Allemaal samen vormen deze semi-private en private open ruimtes namelijk een groene structuur, die Valerie Dewaelheyns in haar doctoraat omschrijft als het tuincomplex.

…maken één groot
Hoewel de ‘tuinen’ in dit complex niet altijd vrij toegankelijk zijn, bezitten ze toch het potentieel om bij te dragen aan het grotere geheel. Daarom schuift Dewaelheyns het principe van rescourse by small actions naar voren als tegenwicht voor de tyranny of small decisions. Ze wil hiermee duidelijk maken dat een kleine aanpassing door een groot aantal mensen, een  groot verschil kan uitmaken.

Rol van de tuin
Welke rol zouden zogenaamde ‘tuinen met een plus’ kunnen opnemen bij het bouwen aan een meer duurzame samenleving? Op die vraag proberen we een antwoord te formuleren en bieden we een multidisciplinair samenwerkingsplatform aan aan de verschillende actoren, van beleidsmakers, over onderzoekers en tuinaannemers en -architecten, tot private partijen die hun ‘steentjes’ willen bijdragen.