Sebbe De Buck is één van de beste snowboarders ter wereld. Na reeds een knap parcours, maakt hij nu kans op een Olympische medaille tijdens de Spelen van 2018 in Zuid-Korea. Indrukwekkend voor iemand uit een land zonder bergen. 

We hebben het geluk dat we hem te pakken krijgen voor een gesprek. Sebbe De Buck (22) is net terug van twee maanden trainen in Nieuw-Zeeland en Australië, maakt snel een tussenstop in zijn geboortestad Zoersel en vertrekt dan alweer richting Zwitserland. Het hele jaar door reist hij met een bende vrienden de wereld rond, de sneeuw achterna. Momenteel bereidt hij zich voor op de Olympische Spelen van 2018 in Zuid-Korea. Maar erg zenuwachtig is hij niet. “Het is iets anders als je jaren in je eigen land traint en tijdens de Olympische Spelen opeens uitkomt tegenover andere wereldatleten in je discipline. Bij ons is dat constant zo. Wij trainen heel het jaar door samen en doen mee aan dezelfde wedstrijden. We kennen elkaar allemaal goed en zijn in de eerste plaats vrienden en dan pas concurrenten. Het is leuk om aan de Olympische Spelen deel te nemen omwille van de naam, maar op het vlak van snowboarden is dit een wedstrijd zoals een andere.”

Hoe ben je bij snowboarden terechtgekomen?

“Dat is dankzij mijn ouders. Van toen ik drie jaar oud was, gingen we elk jaar skiën in Frankrijk. In die tijd kwam snowboarden heel sterk op en ik wilde dat ook doen want ik vond dat cool. Toen ik zeven jaar was, mocht ik eindelijk voor de eerste keer gaan snowboarden op de indoorpiste Casablanca in ’s Gravenwezel. Ik was meteen verkocht. Een paar jaar later is de Belgische snowboardfederatie opgestart in de indoorpiste Snow Valley in Peer. Elke vrijdagavond werden hier freestylenights georganiseerd waar we konden trainen op jumps en rails. Daar leefde ik een hele week naartoe. Eens ik daar was, gaf ik mij voor honderdvijftig procent. Ik wilde alles uitproberen wat er in mijn hoofd zat, ik wilde zoveel mogelijk bijleren. Ik was amper tien jaar en toen al was het al mijn droom om professioneel snowboarder te worden. Vanaf het derde middelbaar ben ik naar de topsportschool in Wilrijk gegaan. Eens afgestudeerd, ben ik fulltime professioneel topsporter geworden.”

Snowboarden, net als skaten en surfen, is echt een levensstijl

Wat vind je dan zo leuk aan snowboarden?

“De vrijheid. Het feit dat je kunt doen wat je wil. Er is niemand die zegt dat je iets fout doet, want dat bestaat niet. Je doet gewoon je eigen ding. En dan die thrill wanneer je een nieuwe trick uitprobeert en goed landt… Dat is een zot gevoel. Wat het vooral zo leuk maakt, is dat ik constant op stap ben met maten. Wij zijn een internationale groep vrienden die meedoet aan dezelfde wedstrijden. In tegenstelling tot andere sporten is de snowboardwereld een heel gemoedelijke wereld, waar een vriendelijke sfeer heerst. Als een maat het goed doet tijdens een wedstrijd, dan ben ik oprecht blij voor hem. Ik heb wel een coach die me mentaal en tactisch helpt bij wedstrijden, maar ik vind het bijvoorbeeld veel leuker om nieuwe tricks van mijn vrienden te leren. Je pusht elkaar en daar wordt iedereen alleen maar beter van. Snowboarden, net als skaten en surfen, is echt een levensstijl.”

Vorige winter kwalificeerde je je voor de onderdelen big air en slopestyle voor de Olympische Spelen van 2018. Wat zijn je ambities? De gouden medaille? 

“Goh, dat durf ik niet te zeggen. Ik richt me sowieso meer op slopestyle dan op big air, omdat er bij slopestyle meer creativiteit aan te pas komt. Je hebt daar railobstakels en dan nog drie à vier jumps. Je moet dus echt wel zes à zeven keer perfect na elkaar landen in plaats van maar één keer. Een creatieve run in elkaar steken, is wel iets waar ik goed in ben. Door bepaalde obstakels anders te bekijken en anders aan te pakken, doe ik andere dingen dan de rest van de deelnemers en dat apprecieert de jury meestal wel. Ik weet nu al ongeveer welke tricks ik ga doen en waarschijnlijk zit er wel een podiumplaats in. Maar alles hangt af van het moment en de omstandigheden. Hoe is het weer? Hoe ligt de jump erbij? Is er veel wind? Is het mistig? Al die factoren spelen een rol. Maar doordat alle veertig gekwalificeerde snowboarders ongeveer hetzelfde niveau hebben, heeft iedereen kans om het podium te halen.”

©Eigner Photo - Sebbe De Buck

Een creatieve run in elkaar steken, is iets waar ik goed in ben en wat de jury meestal wel apprecieert

Wat na de Olympische Spelen?

“Veel zal afhangen van mijn prestaties daar, denk ik (lacht). Er zijn nog wel een paar grote wedstrijden waar ik aan wil deelnemen, zoals bijvoorbeeld de US Open, maar wat ik graag wil doen, is snowboardfilms maken. Dat is een kant van de snowboardwereld die bij het grote publiek minder of niet gekend is. Vaak zijn dat projecten die maanden of zelfs een jaar duren en waar heel veel sponsorgeld bij komt kijken. Ook daar kun je heel veel prijzen mee winnen. In die wereld vind je volgens mij de beste snowboarders ter wereld, eerder dan in het wedstrijdcircuit. In tegenstelling tot de wedstrijden, waarbij de jumps altijd perfect uitgevoerd zijn, gebruik je tijdens het filmen het pure terrein van de bergen. Je krijgt daar ook maar een paar kansen… Filmen diep in de bergen van Canada, dat is mijn droom. Dan kan ik perfect doen wat ik wil, dan kan ik mij nog meer uitdrukken in mijn eigen stijl. Want nu moet ik toch een beetje doen wat de jury graag wil zien, tricks met een bepaalde moeilijkheidsgraad bijvoorbeeld.”

©Sebbe De Buck

Ik was amper tien jaar en toen was het al mijn droom om professioneel snowboarder te worden

Snowboardfilms zijn niet erg gekend bij het grote publiek. Maar eigenlijk is snowboarden in het algemeen dat ook niet in België.

“Dat is waar. En dat is jammer. We hebben zeer goede snowboarders in België, maar de sport zou nog veel groter kunnen zijn. Mochten we om te beginnen al eens bergen hebben, zou dat een stuk schelen (lacht). Daarnaast is snowboarden geen toegankelijke sport omdat het zo duur is. Als je wilt voetballen, heb je enkel een bal en een paar schoenen nodig. Om te snowboarden, heb je een board nodig, bindingen, boots… Dat kost allemaal redelijk veel geld. Het dichtstbijzijnde skioord ligt op negen uur rijden, dat maakt het er ook niet gemakkelijker op. Onze indoorpistes zijn heel goed om de basis aan te leren, maar op een gegeven moment is de jump niet meer groot genoeg en de obstakels niet meer technisch genoeg om te kunnen blijven groeien.

In België hebben we wel een heel goede federatie, Sneeuwsport Vlaanderen. Zij geeft een goede begeleiding en veel subsidies. En natuurlijk zou ik zonder mijn sponsors ook nooit zo ver gekomen zijn. Doordat zij mijn materiaal en reizen sponsoren, kan ik me volledig focussen op de sport. En wie weet, als Seppe (Smits, tweevoudig wereldkampioen slopestyle, red.) en ik goed presteren op de Olympische Spelen, wakkert dit de belangstelling voor snowboarden bij het grote publiek misschien wel aan.”

Wat als je geen snowboarder was geworden?

“Toen ik naar het derde middelbaar ging, moest ik kiezen tussen topsportschool volleybal of snowboarden. Mijn papa is heel hard met volleybal bezig en ik was daar toen best wel goed in. Maar snowboarden is echt mijn passie. Dat wist ik al nadat ik de eerste keer op een board stond. Laat mij maar mijn eigen ding doen, waar en wanneer ik wil.”