Actrice, presentatrice, omroepster en nu ook ontwerpster van sportkleding (Saracino)… Saartje Vandendriessche was en is het allemaal. De verbindende factor in al die activiteiten? Er keihard voor gaan en alles geven. “Ik ben altijd vrij gedisciplineerd geweest.”

We ontmoeten Saartje even nadat de laatste aflevering van haar spraakmakende programma Op De Man Af op antenne is gegaan. Daarin kreeg ze soms halsbrekende uitdagingen voorgesteld van zes mannelijke tegenspelers, van parachutespringen over het beklimmen van een Zwitserse dam tot de zwaarste hindernissenkoers ter wereld.

Wat vond je de moeilijkste uitdaging in Op De Man Af?
De ‘Crashed Ice’ (steil naar beneden schaatsen en ondertussen over hindernissen springen, red.), waarbij ik tijdens de training dus ook m’n pols gebroken heb. Ik wilde die wedstrijd eerst nog doen met een gebroken pols, maar daar had de verzekering een probleem mee (lacht). Die uitdaging hebben we dan laten liggen tot op het laatst, zodat mijn pols helemaal kon genezen. De moeilijkheid daar is dat je die hindernissen wel kunt oefenen op een gewone, platte ijspiste, maar dan heb je natuurlijk niet dezelfde snelheid als wanneer je naar beneden schaatst. En dat deed me verkrampen.”

De proeven waren fysiek zwaar, maar mentaal leek het ook niet altijd een pretje.
“Het was mentaal eigenlijk nog zwaarder. Er waren maar twee echt fysieke proeven: de Obstacle Run en het klimmen. Ik had ook meer fysieke proeven verwacht, zwemmen en zo, maar die zaten er niet in. Het ging heel dikwijls over zaken die nogal een mentale weerstand opriepen: uit een vliegtuig springen, van een berg naar beneden schaatsen, botsen in een auto.”

Was er een uitdaging die je te ver vond gaan?
“Ik had vooraf tegen m’n redactie gezegd dat ik niet uit een vliegtuig wilde springen. Omdat ik dat voor zotten vind en omdat je zelf niet meer de controle hebt over wat je doet. En natuurlijk zat die opdracht erbij (lacht). Het was dan wel een duo-sprong als verzachtende omstandigheid, maar toch. Als ik nu die beelden zie in die zeppelin bij de para’s, vraag ik me nog altijd af hoe ik het gedaan heb. Dat was zo compleet onnatuurlijk…”

Hoe zet je je daar dan over?
“Ik ben altijd behoorlijk gedisciplineerd geweest. Dat is iets wat ik kan opbrengen, dat zit wel in mij. Vroeger ook bijvoorbeeld, als ik moest studeren, dan deed ik dat gewoon. Dat is iets dat je kunt trainen, hoor, na een tijdje merk je dat het gemakkelijker gaat. Bovendien was ik héél gemotiveerd om van de mannen te winnen. Zo sterk soms dat de ratio me niet altijd tegenhield (lacht).”

©Thomas Schurmans
©Thomas Schurmans

Sport is geweldig, maar soms moet ik echt m’n geest voeden, door te lezen of naar het theater te gaan

Het parachutespringen heb je zelfs twee keer gedaan.
“Klopt, omdat de regisseur absoluut meer beeldmateriaal wilde. De eerste sprong was eigenlijk nog wel oké. Ik kwam neer met een snelheid waarvan ik dacht… ’Mja, dit is nog te doen’. Maar toen moest ik het nog eens doen en ik was toen zo kwaad dat ik heel de weg naar boven geen woord gezegd heb. Wat eigenlijk wel goed was, want als je begint uit te spreken dat je schrik hebt en dat je eigenlijk niet durft, dan ga je zelf mentale weerstand inbouwen. Dan is de kans groot dat je niet springt. Het enige was wel: bij die tweede sprong hadden we bij de landing zijwind en toen zijn we met zo’n smak neergekomen dat ik al mijn botten in mijn lijf voelde kraken.”

Doe je, los van het programma, ook veel aan sport in je vrije tijd?
“Ja, ik ga toch zeker een keer of drie, vier per week lopen. Aan de 10 Miles doe ik bijvoorbeeld altijd mee en ook aan de 20 Kilometer van Brussel. Ik zit ook vaak in de fitness, liefst in de Crossbox. Fietsen doe ik ook heel graag, in de zomer vooral, natuurlijk. Zwemmen ook. Ook gewoon buiten zijn, vind ik heel leuk.”

Blijft er dan nog tijd over voor iets anders?
“Oh ja, toch wel. Ik vind sport geweldig, maar ik moet soms ook echt mijn geest voeden. Ik ben bijvoorbeeld een verwoede lezer. En ik ga ook heel graag naar het theater. Lichaam en geest moeten in evenwicht zijn voor mij, het ene kan niet zonder het andere.”

Je had een mental coach en een fysieke coach in het programma. Hadden die nog veel werk met jou?
“Ik was al wel redelijk sterk en goed in conditie, het was vooral een kwestie van explosieve kracht bij te kweken. Hanna Mariën heeft natuurlijk ook wel de kennis om dat efficiënt voor mekaar te krijgen. Nu goed, op een maand tijd kun je ook geen wonderen doen, natuurlijk. Maar het gevoel dat je echt je best aan het doen bent, is al veel waard. En in een wedstrijd kan ook van alles gebeuren, natuurlijk. Voor hetzelfde geld slaat de kajak van Jan Vanlooveren om en win ik met de vingers in de neus.”

En de mentale coaching? Soms ging je echt door je pijngrens.
“Wat ik heel snel geleerd heb, is dat de grootste vijand tussen je oren zit. Pijn is eigenlijk vooral een mentale grens. Fysiek kan je het wel, maar je geest wil niet meer. Er was bijvoorbeeld een proef waarbij ik zo lang mogelijk aan een paal moest hangen. Op een gegeven moment begonnen mijn armen zo te verzuren, dat ik wilde loslaten. Op dat moment probeer ik mijn geest op andere zaken te concentreren, als een soort afleidingsmanoeuvre. Ik werd helemaal zen (lacht). En ik heb de proef gewonnen. Je moet gewoon jezelf dwingen je daarover te zetten. Als je een triathlon doet, gebeurt dat ook. Op een gegeven moment zegt je lichaam ‘stop’. Dan moet je eventjes hard zijn voor jezelf. En het rare is: als dat je lukt, vindt je lichaam vaak ineens ook een tweede adem.”

Heb je die gedrevenheid altijd gehad?
“Ja, dat is die discipline, denk ik. Soms ben ik natuurlijk ook wel eens moe of heb ik ook geen zin om te gaan trainen. De truc is dan om je trainingen echt in te plannen in je agenda. Weken op voorhand. Dan kun je er niet meer onderuit. De vraag “wanneer zal ik eens gaan sporten?”, stelt zich dan niet meer. Het ligt al vast. En dan moet je even doorbijten. Of als je ’s avonds geen tijd hebt om te trainen, ga dan ’s morgens. En zorg dat je trainingspak al klaarligt, dan kleed je je gewoon aan en je bent vertrokken.”

Wat was je geworden als je niet in de media terecht gekomen was?
“Ik denk daar wel vaker over na. Als ik niet was beginnen acteren, zou ik waarschijnlijk rechten gedaan hebben, net zoals mijn vader. Of was ik topsporter. Als ik in iets echt heel goed geweest was, zou ik daarvoor gegaan zijn. Ik voel dat ik die discipline wel zou kunnen opbrengen.”