Najaar 2017 komen niet één, maar liefst twee films van Jan Verheyen in de bioscoop: de derde Kampioenen-film en Het Tweede Gelaat, de nieuwe Vincke & Verstuyft-policier. En hij heeft alvast (scenario)plannen voor een volgende. Een vijftiger die gas terugneemt is Jan Verheyen dus absoluut niét. “Ik probeer met het ouder worden mijn tijd zo goed mogelijk te besteden.”

Zoals een kat negen levens heeft, lijkt Jan Verheyen wel negen carrières te hebben. We kennen hem vooral als filmregisseur, met intussen 13 stuks op de teller, maar hij is of was ook scenarist, filmfestivalorganisator, programmadirecteur, auteur, radiopresentator en bezieler van Nacht van de Wansmaak – om van zijn vele lezingen nog te zwijgen. Aan die gulzigheid komt voorlopig geen einde, zelfs niet nu hij de 50 is gepasseerd.

 

Ik wil nu minstens één gezinsvakantie per jaar, plus een vakantie met vrienden

 

Zag je er tegenop om 50 te worden?
“Goh, het is niet dat ik badend in het zweet wakker werd. Ik ben ook niet bezig met verjaardagen, wat me door mijn huisgenoten niet altijd in dank wordt afgenomen (lacht). Dat gezegd zijnde, doet die leeftijd je wel beseffen dat je aan de verkeerde helft bent terechtgekomen. Vandaar wellicht dat zoveel mensen opzien tegen die leeftijd. En vandaar dat ik meer dan ooit bewust met mijn tijd omga. Vroeger heb ik, net als iedereen, veel tijd verscheten. Maar dat is normaal. Je bent zoekende, je probeert dingen uit, je doet maar iets, vaak komen dingen aanwaaien. Nu weet ik veel meer waar ik wel en niet tijd aan wil besteden en ga ik ook veel bewuster plannen, ook vanuit het besef van het verglijden van de tijd. Nu, als je mij die houding had voorspeld toen ik 18 was, had ik je wellicht in je gezicht uitgelachen.”

Kun je een voorbeeld geven van efficiënter tijd besteden?
“Vroeger gebeurde het dat ik meer dan 400 films in de cinema zag op één jaar tijd. Daar zaten uiteraard meesterwerken tussen, maar ook ongelooflijke bagger. Nu ga ik veel selectiever door het aanbod. De zoveelste comic book-verfilming, films met een cijfer achteraan of zware arthouse laat ik nu probleemloos links liggen, omdat ik weet dat ik er niets aan heb. Ander voorbeeld: als jonge hond beschouwde ik vakantie als iets voor mietjes, pure tijdverspilling. Nu wil ik minstens één gezinsvakantie per jaar, plus een vakantie met vrienden. Ik heb ontdekt dat ik heel graag op reis ga en dat ook erg belangrijk vind. Die tijdsblokken blokkeren we dan ook ruim op voorhand. Als er in die periode zich toch iets zou voordoen, ben ik veel meer dan vroeger in staat om te zeggen ‘sorry, dat gaat niet’. Vroeger kon ik geen ‘nee’ zeggen, omdat ik een gulzigheid had om van alles te doen en die er soms wat over was. Nu ben ik nog steeds gulzig, maar meer gedoseerd (lacht). Ik doe meer dan ooit niets meer tegen mijn goesting. Dat lukt me heel aardig. Vandaar dat ik op die typische eindejaarsvraag over wat ik mezelf toewens, al tien jaar antwoord ‘meer van hetzelfde’.”

Ben je ook huiselijker geworden?
“Kijk, toen ik mijn eerste film draaide op mijn 27e, was ik vrijgezel en ongebonden. Er was op dat moment niets anders dan die film. Waarom zou ik dan naar huis gaan na de opnames? Nee, dat was na de laatste take pinten drinken op de motorkap van een camion. Nu heb ik een huis dat ook een thuis is, een warme, solide cocon om naartoe te gaan na het werk. Dat helpt ook enorm om de juiste prioriteiten te maken én om te relativeren. Dat laatste kan ik al veel beter dan vroeger. Wat het werk betreft dan toch, want wereldproblemen trek ik me wel nog steeds hard aan, zeker omdat ik een kind heb.”

 

Ik zie mezelf niet als een getergde artiest, die jarenlang zit te broeden op een creatief ei dat dan uiteindelijk maar een windei blijkt

 

Als jonge beeldenstormer ging je in tegen de generatie regisseurs voor je. En nu ben je zelf op die leeftijd gekomen.
“Dat besef ik maar al te goed, en ik heb alle begrip voor jonge regisseurs die roepen ‘hé ouwe, opschuiven, ’t is aan ons’. Vooral omdat ik destijds zelf veel lelijker dingen heb gezegd en geschreven (lacht). Het is ook niet meer dan logisch. Ik ben wél blij dat ik het door heb, zodat ik – opnieuw – bewuster mijn tijd kan besteden en projecten kan kiezen. Ook vanuit het besef dat je in Vlaanderen als regisseur geen Clint Eastwood-achtig parcours kunt uitbouwen en tot je 85e films maken. Op die leeftijd wordt er van je verwacht dat je onder een dekentje sudoku’s zit in te vullen in plaats van films te maken. Hoezeer dat vooruitzicht me ook beangstigt (lacht).”

Maar als alles urgenter wordt, waarom kies je dan voor de veilige optie van een
derde Kampioenenfilm, in plaats van een opus magnum?
“Omdat ik mezelf niet als een getergde artiest beschouw, die jarenlang zit te broeden op een creatief ei dat dan uiteindelijk maar een windei blijkt. De simpele waarheid is dat ik mij gewoon fantastisch heb geamuseerd met die vorige Kampioenenfilm en dat gerust nog eens wilde herhalen. En ja, ik besef ook wel dat zo’n film minder zwaar weegt dan pakweg Het Vonnis, maar dat maakt het niet minder waard: als ik zie hoe gelukkig het publiek was met die tweede film van FC De Kampioenen, dan vind ik dat een heel valabel project. Vandaar ook dat ik me er met evenveel ernst en inzet in vastbijt.”

©Nico Van Dam
©Nico Van Dam

 

Vroeger kon ik geen ‘nee’ zeggen, omdat ik een gulzigheid had om van alles te doen en die er soms wat over was. Nu ben ik nog steeds gulzig, maar gedoseerd

 

Wat als je het allemaal opnieuw kon doen?
“Ik vind niet dat ik al op een leeftijd ben gekomen om terug te blikken. Maar om toch te antwoorden: ik denk niet dat ik veel anders zou doen. Zelfs niet dat vreselijke jaar dat ik in Amerika aan The Little Death heb besteed. Want dat heeft bijgedragen tot alle dingen die ik daarna heb kunnen doen. Dus in het grotere geheel heeft ook dat zijn nut gehad. Het is ook nooit mijn brandende ambitie geweest om regisseur te worden, ik wilde gewoon ‘iets met film’ doen. Maar het feit dat het allemaal zo organisch gegroeid is, vind ik wel fijn.”

Een andere, klassieke vraag: hoe zou je herinnerd willen worden?
“Uiteraard wil ik in de eerste plaats herinnerd worden als een goede vader, echtgenoot en vriend, maar los daarvan heb ik professioneel dingen gedaan die gedocumenteerd zijn. Er zullen wellicht wel een paar films van mij zijn, die ze zullen blijven tonen op tv. En met Independent Films heb ik, samen met Marc Punt, als distributeur toch wel pionierswerk verricht in het Vlaamse filmlandschap. Ik heb met andere woorden een nalatenschap die iets tastbaarder is dan die van veel andere mensen. A body of work. Mijn vader was bijvoorbeeld boekhouder, zijn erfenis is dus iets minder concreet. Ik moet zeggen dat ik het geen onprettige gedachte vind dat ik toch een aantal steentjes in de rivier heb verlegd. Hoewel ik ook de eerste ben om dat allemaal te relativeren, omdat het ‘maar’ in de filmsector is. Maar ze zullen dus toch iets kunnen vertellen in mijn begrafenisspeech.”

Ben je daar al mee bezig?
“Ik zou die eigenlijk graag zelf schrijven, maar het komt er voorlopig niet van (lacht).”

Als Jan Verheyen geen filmregisseur geworden was, dan… “… was het wellicht iets met schrijven geweest. Ik heb altijd graag geschreven, ik heb destijds nog mee het schoolkrantje opgericht. Een andere optie was iets met justitie, maar daarvoor moest ik rechten studeren, wat ik niet zag zitten. Gelukkig heb ik die interesse in justitie met Het Vonnis toch maximaal kunnen uitleven.”