Weinigen kennen de mogelijkheden en beperkingen van hun lichaam zo goed als tienkamper Hans Van Alphen. 2016 moest het jaar worden waarin hij in schoonheid afscheid zou nemen van zijn topsportcarrière. Maar door een nieuwe blessure zag hij zijn droomafscheid in rook opgaan. “Ik weet niet of het nog zin heeft om nog een winter te trainen.”

De Olympische Spelen in Rio heeft tienkamper Hans Van Alphen, die nog steeds Belgisch recordhouder is in de discipline, aan zich moeten laten voorbijgaan door een terugkerende bekkenblessure. Ook de Franse tienkamp Décastar heeft hij moeten afzeggen. Is topsport eigenlijk nog wel gezond?

Er is een reden waarom een topsportcarrière maar 10 jaar duurt. Maar ik denk niet dat mijn sportcarrière mijn levensduurte negatief beïnvloedt. Mijn hart- en bloedvatensysteem zijn er toch niet slecht aan toe (lacht). Waarschijnlijk ga ik pas over 10 jaar weten wat de impact op mijn lichaam geweest is. Nu houden mijn spieren alles nog goed bij elkaar, maar mijn gewrichten en pezen zijn natuurlijk erg belast. Al zal dat eerder over pijntjes gaan.”

 

Als ik naar mijn dochtertje kijk, kan ik alles relativeren

 

En mentaal?
“Dat is soms moeilijk. De laatste jaren viel ik van de ene blessure in de andere. Vooral dat hervallen is lastig. Ik wist lang niet of het nog goed zou komen met mijn enkel nadat ik in 2013 verkeerd ben neergekomen bij het polsstokspringen. Die blessure heeft anderhalf jaar aangesleept en verhinderde mij om voluit te gaan. Als iets zo lang duurt, gaat het in je hoofd zitten. Maar ik bleef volhouden met de Olympische Spelen in het achterhoofd. Dat was mijn drijfveer. Ik kon me wel herpakken, maar je hebt moeilijke momenten. Frustratie omdat het tijdens en/of na een training niet loopt zoals je wilt, of omdat het pijn doet. Gelukkig, als ik mijn dochtertje Sam zie rondlopen, kan ik alles weer relativeren.”

Je lijkt inderdaad heel nuchter.
“Ik ben een rustige mens. Ik maak me zelden kwaad. Ik heb nog nooit gevochten (lacht). Alleen voor mijn dames ga ik door het vuur. Het is belangrijk om de zaken in perspectief te zien. Neem nu revalidatiecentrum Pulderbos, een goed doel waar ik tot nu toe nog te weinig voor heb kunnen doen. Daar kunnen kinderen en jongeren met epilepsie, ademhalingsproblemen, hersenen- of ruggenmergletsels terecht voor intensieve revalidatie. Het is supertof wat ze daar doen. Aangrijpend en speciaal. Ik heb ook stage gedaan in ziekenhuizen. Dan sta je meteen weer met je twee voeten op de grond! Stel dat Sam twee vingers zou verliezen. Ik zou mijn hele carrière opgeven om haar die terug te geven. Zo relatief is het.

 

Alleen als je iets écht heel graag wilt, ervaar je dat niet als iets dat veel energie vraagt’

 

Wat moet je eigenlijk in huis hebben om topsporter te worden?
“Dat is afhankelijk van de sporter, maar ik denk dat het altijd een combinatie is van talent, mentaliteit, begeleiding en omgeving. Topsport gaat over procenten. Er zit maar zo’n 10 procent verschil tussen de echte top en de laag daaronder. Die 10 procent hangt af van vele factoren. Een dosis talent moet je hebben, maar er zijn atleten waarvan ik denk: “Zet mijn hoofd op dat lijf en ik zou nog 200 punten meer halen”.  Het is ook een kwestie van doorzettingsvermogen. Daarnaast is een omgeving, waarin je je goed voelt en die dat begrijpt, belangrijk. Om topprestaties neer te zetten, moet je ‘zen’ zijn in je hoofd.”

Hoe verschilt het leven van een topsporter van dat van gewone mensen?
“Door veel structuur. Ik ben daar anders niet zo sterk in, maar voor mijn sport kan ik dat wel. Het grootste verschil is je dagindeling. Alles ligt vast: de trainingen, preventieoefeningen, eten… Anderen eten elke week frieten, ik ga twee keer per jaar naar de frituur. Voor mij is uit eten gaan een kwestie van ontspanning, alleen kan het maar af en toe. En ik ga erna niet tot drie uur ‘s nachts op café. In de winter zit ik ‘s avonds ook wel eens met een zak koekjes of  m&m’s voor televisie. Ik heb dus niet het gevoel dat ik als een monnik leef. Voor mij is het evident om alles voor 95 procent correct te doen. Ik voel me al schuldig als ik een keer te laat naar bed ga en de dag erna niet goed kan trainen. Dan heb ik er precies niet alles uitgehaald wat er in zit.”

Is je sport een hobby?
“Nee, eerder een levensstijl. Mijn hele leven en dat van mijn omgeving wordt gepland in functie van mijn sport: de uitjes met het gezin, de vakanties… Maar het is ook een droom. Je stelt jezelf een doel en dan ga je ervoor!”

 

Ik leef niet als een monnik, in de winter zit ik ‘s avonds ook wel eens met een zak koekjes of  m&m’s voor televisie

 

Hoe oud was je toen je begon te dromen?
“Ik zag enkele jaren geleden tekeningen terug die ik op de lagere school maakte: mannetjes aan het lopen of op een podium, de Olympische ringen. Daar merk je wel aan dat ik er al vroeg mee bezig was. Je hebt ook een grote droom nodig om iets te bereiken, want het vraagt veel energie. Alleen als je iets écht heel graag wilt, ervaar je dat niet als iets dat veel energie vraagt. En als het lukt, dan kun je dat gevoel met niets vergelijken.”

Je hebt het wel moeilijk sinds 2012, na je hoogtepunt in Londen.
“Sindsdien is het een beetje een lijdensweg. Ik ben me altijd blijven motiveren voor de Olympische Spelen in Rio. Na een goede prestatie daar, wilde ik stoppen. Toen duidelijk werd dat dat niet ging lukken… Dat je vier jaar keihard gewerkt hebt voor iets dat niet doorgaat, is bijna onwezenlijk. Daarna hoopte ik nog op een fijne afsluiter van mijn carrière in Talence. Dat is een fijne organisatie en ik wilde absoluut nog een tienkamp afronden dit jaar. Ook dat lukte niet. De kans is klein dat ik er nog een winter voor ga trainen. Ik weet niet of ik daar nog de energie voor heb.”

Weet je nu al wat je gaat doen?
“Nee. Ik zit nog altijd met die blessure. Binnenkort buigen specialisten zich erover en weet ik waar ik sta. Ik train nog, maar alternatief. Zo had ik het me natuurlijk niet voorgesteld. Je wilt in schoonheid kunnen afsluiten en niet met het gevoel dat die vier jaar voor niets waren.”

Hoe zie je de toekomst?
“Zolang dit hoofdstuk niet is afgesloten, ben ik niet met de toekomst bezig. Ik heb een diploma kinesitherapie, maar ik wil niet 12 uur per dag tussen vier muren zitten. Ik ben er ook een beetje bang voor. Het mooiste heb ik misschien al gehad. Ik moet op zoek naar een andere job, maar ik weet niet of ik in een andere job evenveel voldoening zal vinden. Misschien de topsportwereld in? Ik weet het niet. Ik moet ook rekening houden met mijn gezin. De afgelopen 10 jaren ging ik van stage naar stage, van wedstrijd naar wedstrijd in het buitenland. Ik weet niet of ze dat nog zien zitten. Ik wil in elk geval nog iets verwezenlijken. Huisman worden, zit er niet in. Ik ben nog niet klaar met doelen stellen.”