De farmaceutische sector is in België de onbetwiste leider in R&D in de privésector. Dat was vroeger zo, en dat is nog steeds zo. Maar het ecosysteem waarin nieuwe geneesmiddelen worden geboren, is wel veranderd.

Hoofdpijn? Neem een aspirine. Keelpijn? Zuig een lidocaïnetablet. Hoest? Een lepel hoestsiroop en klaar. Je huisapotheek heeft ongetwijfeld voor elk kwaaltje wel iets te bieden. Maar al die tabletjes, pillen en siropen komen er niet zomaar. Zij hebben eerst een lang traject doorlopen van onderzoek, testen, onderzoek en nieuwe testen. Onderzoek en ontwikkeling is in de farmaceutische sector dan ook een van de belangrijkste investeringen.

Immuun voor de crisis
Vorig jaar investeerde de farmaceutische sector in België liefst 2,4 miljard euro in R&D. Iets minder dan in 2013, maar sinds 2008 bedroeg de gemiddelde jaarlijkse stijging van het R&D-budget in de farmasector 3,8 procent. Daarmee lijkt de sector als een van de weinige immuun te zijn voor de economische en financiële crisis. Waar in andere sectoren massaal wordt beknibbeld op R&D, gaan de investeringen in de farmasector gewoon door.

 

Kleine biotechbedrijven zijn vaak opgezet rond één ontdekking en zetten alles op alles om daarin een therapeutisch target te ontdekken – Leo Neels

 

Dertien jaar lang…
Maar al die investeringen zijn dan ook broodnodig. Want in bijna geen andere sector is R&D zo duur als in de farmasector. “Recente studies tonen aan dat een gemiddeld programma voor geneesmiddeleninnovatie liefst dertien jaar in beslag neemt”, vertelt Leo Neels, die van 2003 tot 2013 directeur was van pharma.be, de koepelorganisatie van de geneesmiddelenindustrie in België. “Zo’n programma kost gemiddeld 1,8 miljard dollar aan puur onderzoek. Als je echter alle kosten in rekening brengt, kom je al snel aan 3 à 5 miljard dollar.”

…het hele traject afleggen
Doorgaans is het de klinische onderzoeksfase die het meeste geld uit het R&D budget opslorpt. “In deze fase worden kandidaat-geneesmiddelen in de hele wereld getest, in proeven met meer gerichte patiëntgroepen, maar ook met een groter aantal patiënten.” Bovendien vereisen deze proeven efficiënte teams van ervaren medische wetenschappers en specialisten op het vlak van regelgeving, databeheer en andere domeinen. “Dat kost allemaal veel geld.” Bovendien gebeurt het maar zelden dat een geneesmiddel het hele traject, van ontdekking tot goedkeuring door de gezondheidsautoriteiten en commercialisering, aflegt. Vele middelen stranden ergens tussenin, en kosten dus veel geld zonder iets op te brengen.

Gerelateerd aan vergrijzing
Er wordt dus als vanouds veel uitgegeven. Maar waar gaat dat geld naartoe? Naar welke ziekten en aandoeningen wordt tegenwoordig onderzoek gedaan? Volgens het recentste rapport van het Europese Geneesmiddelenagentschap EMA wordt er in Europa, dus ook in België, voornamelijk onderzoek gedaan in vier domeinen: oncologie, ontstekingsziekten (reumatoïde artritis,…), spijsverteringsziekten (de ziekte van Crohn,…) en zenuwziekten (alzheimer, parkinson,…). Drie van de vier domeinen zijn niet toevallig sterk gerelateerd met ouderdom. De vergrijzing dwingt de farmaceutische sector om met hun R&D daar optimaal op in te spelen. Hoe meer ouderen, hoe meer ouderdomsziekten en hoe groter het aantal chronisch zieken.

 

Een gemiddeld programma voor geneesmiddeleninnovatie neemt liefst dertien jaar in beslag – Leo Neels

 

Op ontdekking naar de biomarker
Onderzoek naar mogelijke therapieën en geneesmiddelen voor verschillende (ouderdoms-) ziekten gebeurt ook al lang niet meer alleen door de grote jongens. “In het zogenaamde front-end domein hebben kleine biotechbedrijven en spin-offs de neus aan het venster gestoken”, meent Neels. “Die bedrijven zijn vaak opgezet rond één ontdekking – een zogenaamde biomarker – en zetten alles op alles om daarin een therapeutisch target te ontdekken, hét startpunt van een nieuw geneesmiddelentraject.”

Exclusief voor de grote jongens…
De grote jongens zoals Janssen Pharmaceutica, Pfizer, Roche en AstraZenica maken daar wel dankbaar gebruik van. “Je moet het zien als een vorm van open innovatie”, vervolgt Neels. “Zulke kleine bedrijven zijn vaak uitermate innovatief, gaan gedurfd te werk en barsten van de creativiteit. Voor de grote spelers is het veel gemakkelijk en goedkoper om het inleidende werk aan deze bedrijven over te laten.” En wegens de lange doorlooptijd en de hoge kapitaalbehoefte, blijft de ontwikkeling en commercialisering van een nieuw medicijn toch exclusief terrein voor big pharma. “Alleen zij beschikken over de vereiste kritische massa om bijvoorbeeld alle klinische trajecten te doorlopen.”

…maar kleintjes profiteren mee
Gelukkig zijn er voor de kleine bedrijven en spin-offs op hun beurt dankzij dit model ook voordelen. Ze kunnen gedeelde licenties krijgen en in de uiteindelijke winst van een nieuw en succesvol medicijn delen. Een duidelijke win voor de kleine, creatieve biotechbedrijven, een win voor de farmaceutische reuzen, maar dankzij voortdurende investeringen in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe geneesmiddelen vooral een win voor ons allemaal.