Bijna één faillissement op vijf betreft een restaurant of café. Hoewel ons land het economisch beter doet, blijft de horeca bijzonder kwetsbaar.
Hoe komt dat? En wat kunnen ondernemers doen om een faling te vermijden?

Faillissementen in 2017
De economie trekt aan, de werkgelegenheid in het hele land groeit. Toch is er zeker één barometer die nog niet terug op het niveau van voor de crisisjaren zit: die van de faillissementen. Voor 2017 ziet het er zelfs naar uit dat het aantal falingen hoger zal liggen dan vorig jaar. Voor de eerste negen maanden van 2017 telde studiebureau Graydon 7.770 faillissementen, tegenover 7.392 in 2016. De sterkste stijging doet zich voor in Brussel, waar tegenover 2016 al 25,71 procent meer bedrijven de boeken moesten neerleggen.

Positieve ontwikkelingen moeilijk toepasbaar
Analyseer je de verschillen tussen de sectoren, dan zie je dat de grootste klappen in de kleinhandel (980), de bouwnijverheid (1.328) en de horeca (1.559) vallen. Voor die laatste is het zelfs het op een na zwaarste cijfer ooit. Enkel in 2013 waren er in de eerste negen maanden nog meer faillissementen. “De horeca is traditioneel een kwetsbare sector”, reageert Danny Van Assche, afgevaardigd bestuurder van Horeca Vlaanderen. “Een restaurant of café openhouden is erg arbeidsintensief. De hoge loonkosten die dat met zich meebrengt, maken het moeilijk om rendabel te zijn.” Het resultaat is dat veel nieuwkomers – volgens Horeca Vlaanderen één op twee – er al binnen de vijf jaar weer mee moeten stoppen. De kleine zaken, met weinig personeel, en de conceptrestaurants à la Würst en Balls & Glory houden zich het makkelijkst staande.

 

Mensen openen vandaag al te makkelijk een pop-uprestaurant of een webshop, vaak zonder een degelijk, realistisch businessplan Kjell Swartelé

 

Theorie versus praktijk
Naar verklaringen voor de stijgende cijfers is het niet ver zoeken. Er waren de aanslagen in Brussel die veel toeristen weg hielden. Ook verplicht de komst van de witte kassa restaurantuitbaters om hun transacties te registreren en overuren van het personeel aan te geven. “An sich is die transparantie een goede zaak”, reageert Van Assche. “Alleen hebben veel eigenaars daardoor hun prijzen moeten aanpassen. Ze kunnen niet anders meer dan alle kosten aan de klant doorrekenen. Met alle gevolgen van dien.” Dat er intussen meer rechtszekerheid is gekomen rond de flexi-jobs en de goedkope overuren – twee maatregelen die werken in de horeca flexibeler moeten maken – vindt Van Assche een positieve ontwikkeling. Hij hoopt dat diezelfde inspanningen nu ook aan de kant van de loonlasten kunnen gebeuren. “De RSZ-korting, waarbij je 500 euro korting voor vijf voltijds werkende werknemers per kwartaal kunt krijgen, blijkt in de praktijk moeilijk toepasbaar. Die maatregel versterken, zou een verschil kunnen maken.”

Voorbereiding en inzicht
Curator Kjell Swartelé ziet nog andere belangrijke redenen voor een faling: onvoldoende voorbereiding en te weinig ondernemersinzicht. “Mensen openen vandaag al te makkelijk een pop-uprestaurant of een webshop, vaak zonder een degelijk, realistisch businessplan. Bovendien is niet iedereen in de wieg gelegd om een zaak te runnen.” Swartelé weet waarover hij praat, als curator staat hij aan de kant waar de klappen vallen. Het is zijn taak om, eens de boeken zijn neergelegd – op eigen initiatief of op verzoek van de schuldeisers of het parket – zoveel mogelijk geld te recupereren uit de verkoop van stocks of inrichting. Die inkomsten verdeelt hij vervolgens onder de schuldeisers. De schulden die daarna nog overblijven (de zogenaamde restschulden), kan de rechter verschoonbaar verklaren, wat betekent dat de gefailleerde ondernemer er niet verder voor moet opdraaien. “Maar – en dat weten veel ondernemers niet – dat kan enkel voor een éénmanszaak en niet voor gefailleerde vennootschappen. We zien dan schrijnende gevallen, waarbij mensen bijvoorbeeld eerst een BVBA oprichten, zich vervolgens persoonlijk borg stellen voor die BVBA, om dan bij faling te horen dat ze niet in aanmerking komen voor verschoonbaarheid of bevrijding.”

Met experts aan tafel
Om scenario’s als deze te vermijden, raadt Swartelé startende ondernemers aan om vooraf met een advocaat aan tafel te gaan. Er is immers niemand anders die beter advies kan geven over de best passende juridische ondernemingsvorm en de mogelijke risico’s die daaraan verbonden zijn. “En laat je zeker ook goed ondersteunen voor de financiële kant van de zaak”, vult Danny Van Assche aan. “Het is immers niet omdat je lekker kunt koken, dat je ook goed kunt ondernemen.”