Helaas, de geneeskunde kan vooralsnog geen ogen of oren op bestelling produceren. Wel duiken er steeds meer hulpmiddelen en implantaten op, die het origineel – of toch de functionaliteit ervan – sterk benaderen.

Primeur voor de geneeskunde: een 68-jarige Belg loopt sinds kort met een kunstoog rond, ontwikkeld op basis van een 3D-print van zijn oogholte. Om zo’n implantaat of afdruk te maken, ondergaan patiënten traditioneel een onaangenaam onderzoek, met veel druk op de weke weefsels. Die stap kan nu dankzij 3D-printing achterwege blijven. Met een CT-scan en 3D-software zijn de artsen en ingenieurs van het UZ Leuven erin geslaagd een 3D-voorstelling van de oogholte en vervolgens een oogprothese op maat te maken.

Nieuwe ogen, nieuw zicht?
Voor alle duidelijkheid: ook al beweegt het kunstoog met de spieren uit de oogkas mee, de man kan er niet echt mee kijken. Een oogprothese ziet er uit als een echt oog, maar is ‘slechts’ een stukje kunststof of glas dat in de plaats komt nadat het eigen oog verwijderd is, bijvoorbeeld na een kwaadaardige tumor. Of artsen ooit een oog volledig zullen kunnen fabriceren en inplanten, is zeer twijfelachtig. “Daarvoor bevat het oog te veel bloedvaten en ingewikkelde cellen”, reageert Marie-José Tassignon, diensthoofd oogheelkunde in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA). “Maar zeg nooit nooit. Als je ziet hoe hard de heelkunde in dertig jaar tijd is geëvolueerd, dan mag je niets uitsluiten.”

 

Ik denk niet dat het ooit mogelijk zal zijn om een oog volledig na te bouwen. Maar zeg nooit nooit – Marie-José Tassignon

 

3D-geprinte stukjes
Tassignon en haar team leveren zelf een belangrijke bijdrage aan dat onderzoek. Momenteel gaan ze na of het lukt om het hoornvlies, het doorzichtige deel aan de buitenkant van het oog, in 3D te printen. “Het werk in het labo zit er bijna op. We zijn erin geslaagd om alle bouwstenen afzonderlijk te reproduceren”, verklaart Tassignon. “In een volgende fase proberen we de cellen volgens de juiste structuur bij elkaar te brengen, om zo een hoornvlies na te bootsen.” De studie mag dan wel vlot verlopen, het betekent niet dat artsen morgen al patiënten met een aangetast hoornvlies – in ons land zo’n duizend per jaar – op die manier zullen kunnen helpen. Proeven op konijnen moeten eerst uitwijzen of en hoelang het 3D-duplicaat in het oog kan overleven. Pas als die tests gunstig zijn, zullen de wetenschappers overgaan op de mens.

Opnieuw horen maakt gelukkig
Ook in het onderzoek naar het gehoor zijn er de voorbije decennia aardige stappen gezet. Zo kunnen slechthorenden en zelfs doven via een cochleair implantaat, dat de gehoorzenuw rechtstreeks stimuleert, een deel van hun gehoor terugwinnen. Een bijzondere beleving, waarover Lydia Hagoort recent het boek Horen is een genot! schreef. Dat ze met haar implantaat ‘de dagelijkse geluiden’ weer kan horen, maakt haar zielsgelukkig. “Het kabbelende water, voetstappen voor het raam, emoties in een stem. Het is een wonder dat ik het weer allemaal kan horen”, vertelt ze.

Trainen, trainen, trainen
Omdat de achterliggende technologie van cochleaire implantaten steeds verder verfijnt, komen bovendien steeds meer mensen ervoor in aanmerking. Toch is het niet zo dat een slechthorende meteen na een operatie weer optimaal kan horen. “Hij moet het in feite (opnieuw) van nul leren”, vertelt Cas Smits, audioloog aan het VU medisch centrum in Amsterdam (VUmc). “Daarvoor geven we wekelijks hoortrainingen. De evolutie volgen we via testen op. Sommige patiënten krijgen tot 90 procent van hun gehoor terug.”

 

Het is een wonder dat ik dankzij een CI-implantaat weer kan horen -Lydia Hagoort

 

Horen via de tablet
In de nabije toekomst zullen CI-gebruikers die testen van thuis uit kunnen doen, met dank aan een tool die het VUmc samen met patiëntenvereniging OPCI en het Mechelse Cochlear Technology Center ontwikkelde. Patiënten zullen een tablet mee naar huis krijgen die ze rechtstreeks op de processor van het implantaat kunnen aansluiten, waardoor ze de testen in vergelijkbare condities als in het ziekenhuis kunnen uitvoeren. Idealiter gaan ze in de eerste drie maanden na de operatie twee keer per week met de tablet aan de slag. Dat is vaker dan in het ziekenhuis mogelijk is, wat maakt dat de artsen de evolutie beter kunnen opvolgen.

Meer controle over beperking
De reacties van de proefpersonen zijn alvast positief. Zelfs de zeventig- en tachtigplussers lijken de technologie goed te begrijpen. Smits: “Ik merk bovendien dat ze het appreciëren om meer controle te hebben over hun beperking. In plaats van naar het ziekenhuis te moeten rijden en alles van de arts te moeten horen, kunnen ze zelf zien hoe ze het gedaan hebben.” Ook dat is geneeskunde van de toekomst.